Albert Vanderkracht wordt boswachter

Aan het einde van de eerste wereldoorlog keerden de Canadese veteranen terug naar huis en ze verspreiden zich over het noorden van het land. De Canadese regering spande zich in om deze mannen een plaats in het burgerleven te geven door banen te creëren of ze bouwland en scholing aan te bieden. Een van die veteranen die ik in de voorgaande winter had ontmoet was Bert Vandekracht.
Mijn partners hadden Bert bezocht tijdens onze reizen en ervaringen en verhalen met hem uitgewisseld. Ze hadden mijn verhalen daarbij betrokken en mij voorgesteld als een bekwame houtvester. Ondanks dat ik gaandeweg veel leerde beschouwde ik mezelf eigenlijk niet als ervaren. Toch leek Bert geïnteresseerd en hij wilde me graag ontmoeten.
In februari van dat jaar ontmoetten zij elkaar weer, deze keer was ik in hun gezelschap. Bert vroeg me naar mijn plannen voor de komende zomer. “Ik heb geen idee”, zei ik, “ik heb er nog niet echt over nagedacht”. Er doet zich altijd wel iets voor.

Hanson op brandpatrouille met de eerste hond die hij kocht, gefotografeerd nabij de brandwachters hut bij Candle Lake.
Bert was van plan in het noorden te blijven en hij kwam met een interessant idee. Als oorlogsveteraan dacht hij in aanmerking te komen voor een overheidsbaan als houtvester. Hij gaf toe weinig van het vak te weten en zou proberen mij aan een baan te helpen als zijn assistent zodat ik hem kon opleiden. Ik stemde daar meteen me in omdat ik op die manier een vast inkomen zou hebben met werk dat ik plezierig vond. Nadat Bert zijn aanvraag had ingediend scheidden onze wegen zich totdat ik op een dag bericht ontving dat de aanvraag was goedgekeurd en dat we zouden worden aangesteld in het Candle Lake District. Ik was erg verheugd en zo begon mijn leven als houtvesterassistent.
Een van de dingen die ik in de training voor mijn vriend opnam was reizen door de bossen zonder te verdwalen. We liepen veel, in het begin waren we 4 of 5 dagen per week onderweg. Ik probeerde hem alles te leren wat ik wist en benadrukte dat het in het Noorden van essentieel belang is altijd te weten in welke richting je reist, zeker op bewolkte dagen als de zon niet te zien is en andere aanwijzingen verhuld blijven.
Kennis van de wildernis kan je leven redden in dit harde klimaat, en het leven wordt aangenamer als je de regels volgt. Ik voelde dat Bert de basisregels voor overleven begon te leren en hij bewees een goede leerling te zijn. Ik leerde hem wat ik wist over overleven in de wildernis, ik had zelf ook nog een aantal zaken te leren maar mijn ervaring met leven in de bossen groeide met de jaren. In die zomer instrueerde ik Bert als volgt.
Bij zonneschijn volg je de richting van de zon als je door de bossen loopt. Op bewolkte dagen gebruiken de meeste mensen een kompas en ik raad je dringend aan er ook een te gebuiken. Niemand zou het bos in moeten gaan zonder een kompas. Er zullen zich gelegenheden voordoen dat je, om welke reden dan ook, geen kompas bij je hebt, je kunt hem vergeten zijn, je kunt hem verliezen of hij kan defect zijn, je kunt gescheiden worden van je partner die het kompas bij zich draagt.
Stel je een mooi zonnige dag voor waarop jullie ieder in een andere richting gaan. Zolang de zon te zien is heb je niets om je zorgen over te maken. Je bent op zoek naar wild en een aantal uren verstrijkt. Je beslist om terug te gaan naar het kamp maar het is inmiddels bewolkt, of in de winter begint het te regenen of te sneeuwen. Je hebt geen kompas omdat je partner dat bij zich draagt. Je denkt dat je het kamp zonder problemen zult terugvinden en begint snel te lopen in de richting waar je denkt dat kamp gelegen is. Je loopt een uur of 2 maar hebt nog steeds geen herkenningspunten gezien van de heenweg. Het wordt langzaam donker. In plaats van een plek te zoeken voor de nacht en het maken van een kampvuur, begin je je te haasten. Je raakt in paniek en vlucht, niemand zal je ooit nog vinden.
Ik heb verscheidene mannen ontmoet die me vertelden een hele nacht gelopen te hebben op zoek naar hun kamp nadat ze verdwaald waren in de bossen. De gelukkigen werden gevonden, sommigen zijn voor altijd verdwenen.
Ik ben opgegroeid in de bossen. Ik heb nooit een kompas bij me omdat ik geleerd heb mijn weg te vinden zonder kompas. Vanaf mijn zevende tot mijn zestiende heb ik in de wildernis in het noorden van Minnesota geleefd. Er zijn in dat gebied veel witte en ratelpopulieren. Verschillende oude houtvesters vertelden me dat ik nooit zou verdwalen tijdens bewolkt weer als ik de witte populieren zou bestuderen. Hun bast is wit aan de zuidzijde en groen aan de noordzijde. Tegen de tijd dat ik zestien was wierp ik steeds een blik op de populieren tijdens het lopen. Ik vond dit gemakkelijker dan het gebruik van een kompas. Mijn methode betekende echter niet dat ik nooit hoefde te stoppen met lopen om de richting te controleren.
Gedurende de winter van 1914-1915 had ik vallen uitgezet in het Cariboo district in British Columbia. Daar ontdekte ik dat sparren en broodvruchtbomen bedekt waren met mos en korstmos aan de noordzijde op ongeveer 60 cm van de boomstronk. Ik kon nu populieren, sparren en broodvruchtbomen “lezen” en heb nooit meer problemen gehad met het terugvinden van mijn weg in dat gebied.
Maar toen ik naar het noorden van Saskatchewan kwam hadden we de eerste winter tot 90 cm sneeuw. In bossen met broodvruchtbomen en sparren kon ik de sneeuw weggraven om het mos en de korstmos te vinden maar dat vond ik te tijdrovend. Ik begon de bomen aandachtiger te onderzoeken en ontdekte meer richtingsaanduidingen. De zuidzijde van de spar en de broodvruchtboom heeft een losse, geschubde bast terwijl die aan de noordzijde veel vaster is. Ik vond ook dat beide bomen aan de noordzijde korstmossen hebben onder de schubben van de bast. De bast is lichter en glanzender aan de zuidzijde. Ik was verbaasd dat ik die aanwijzingen nooit eerder had opgemerkt. Nu kon ik het dragen van een kompas vergeten.
Af en toe ging ik nog steeds in de verkeerde richting maar nooit te ver om te verdwalen. Elk jaar hoorde we wel nieuws over iemand die verdwaald was in de bossen. Op dat moment begon ik alle soort bomen en alles wat groeide te onderzoeken op aanwijzingen en het duurde niet lang voor ik noord en zuid van alle variëteiten kon onderscheiden. Ik ontdekte dat de tamarisk een dof gekleurde bast aan de noordzijde heeft en een glanzende, geschubde bast aan de zuidzijde. De berk is een van de moeilijkste bomen omdat hij een witte bast rondom heeft met een paar plekjes korstmos aan de noordzijde van de oude exemplaren. Veel hoge berken hebben een gespleten bast, altijd aan de zuidzijde. Deze scheuren worden veroorzaakt door het bevriezen en dooien tijdens warm en koud weer. Op sommige dagen in maart als de zon warm schijnt op de zuidzijde van de bomen, ontdooit de bast aan die kant en als de thermometer ’s nachts daalt bevriest de bast weer en splijt open. Wilgen en elzen hebben een glanzende bast aan de zuidzijde en een doffe bast aan de noordzijde. Let nooit op aanwijzingen op bomen die dicht bij elkaar staan in dichtbegroeide bossen. De stammen staan in eeuwige schaduw en worden nooit aan direct zonlicht blootgesteld. Alleen bomen die open staan voor zonlicht laten hun aanwijzingen zien in de kleur van de bast.
Bomen die aan de rand van een oude opening staan, bijvoorbeeld aan de rand van een meer, een rivierbedding of aan de rand van een onvruchtbaar of afgebrand stuk land zullen je aanwijzingen geven. Een stuk onvruchtbaar land is de beste locatie, de smalle naaldbomen geven een goede aanwijzing. De korstmossen groeien tussen de 1.20 m en 2.10 m aan de noordzijde van de elke boom. Verbrandde bomen geven natuurlijk geen aanwijzing.
Zorg er bij reizen overdag altijd voor dat je je richting constant houdt en dat je bijhoudt hoe lang je in elke richting loopt, aangenomen uiteraard dat je een horloge draagt. Als het tijd is om terug te keren kun je op die manier de afstand nauwkeurig inschatten en in de richting van je bestemming lopen.
Goede houtvesters hebben mij verteld dat alle bomen meer takken aan de zuidzijde hebben. Ik ben het daar wel mee eens, maar voor sommige bomen geldt dat niet, en veel bomen hebben zelfs meer takken aan de noordzijde. Iedereen die regelmatig te voet door bebost landschap reist moet zijn gevoel voor richting blijven oefenen door de bomen te lezen zowel bij zonlicht als bij schaduw. Je zult leren dat je noord en zuid leert onderscheiden als een zesde zintuig zonder je te realiseren dat je dat doet. Als beginneling zul je onzeker zijn en je zult maar langzaam vorderingen maken in het bepalen van je richting. Maar je zult met de dag beter worden. Laat me nogmaals benadrukken dat je altijd een kompas bij je moet dragen om je leven te redden. Er zijn echter plaatsen waar een kompas je in alle richtingen zal sturen. Het “pre-cambian shield” in Canada is een gebied met magnetisch ijzererts, je kompasnaald zal daar in elke richting kunnen wijzen, een alleenstaande boom zal je echter een betrouwbare richting wijzen. Ik heb al deze zaken rond het vinden van de richting meegemaakt. Ik maak me nooit zorgen over verdwaald raken en ik ben ook nooit verdwaald. Er zijn tijden geweest dat ik op zoek was naar wild of nieuwe gebieden om vallen te zetten en soms was ik tien tot vijftien mijl verwijderd van het kamp als de duisternis me overviel. Bij een heldere nacht zocht ik de richting van het kamp door de Poolster of de Kleine Beer als gids te volgen. Zelfs bij het lopen door dicht struikgewas kon ik de Kleine Beer zien in het oosten en vroeg of laat vond ik altijd mijn sporen terug naar het kamp. Raak nooit in paniek, in welke situatie dan ook.
Als je het kamp in de ochtend verlaat om een dag door het bos te reizen, neem dan voldoende voedsel voor tenminste drie maaltijden mee en een tinnen theeketeltje met een haak om het over het kampvuur te hangen. Dat vergemakkelijkt het zetten van koffie of thee als je moet kamperen. Bij bewolkt weer sla ik het kamp vroeg op. Ik heb altijd een voldoende voorraad lucifers bij me in een waterdichte luciferdoos, een bijl en een jachtmes. Lucifers zijn het belangrijkst en kunnen het verschil tussen leven en dood betekenen. Een kamp in het midden van de winter zonder lucifers betekent dat je in een kleine cirkel moet blijven rennen om te voorkomen dat je dood vriest.
Elke keer als je wordt overvallen door de duisternis tijdens bewolkt weer op een afstand meer dan een mijl van je kamp, je spoor of de weg, moet je stoppen om te overnachten. Probeer een plek te vinden met droog hout en groene takken van een spar. Begin met het maken van een vuur. Bij het licht van het vuur kun je een voorraad hout snijden en je tentje opzetten. Om een goed afdak te maken zoek je twee bomen die op gelijke grond staan met een afstand van twee tot drie meter. Snij een houten paal die zestig tot negentig centimeter langer is dan de afstand tussen de bomen. Snij dan twee palen die drie to drieënhalve meter langer zijn dan de afstand tussen de bomen, haal alle takken eraf behalve de buitenste omdat deze gebruikt worden om de kruisende paal omhoog te houden tegen de boom aan de uiteinden van de tent. Plaats de palen ongeveer dertig centimeter van elkaar verwijderd tegen de kruisende paal en maak dit winddicht door het af te dekken met takken op de schuine palen.
Maak je afdak altijd zo dat de wind in de richting van het kampvuur blaast maar uit de richting van het afdak zodat zowel het vuur als je zelf beschut zijn tegen de wind.
Kap nu een redelijke voorraad takken van de spar om een bed van te maken en om ervoor te zorgen dat je voeten sneeuwvrij blijven. Houd de hoogte van je kampvuur op ongeveer twee meter. Dit zal ervoor zorgen je je redelijk comfortabel voelt en misschien zelfs even kunt slapen bij een temperatuur van min veertig graden Fahrenheit. Het zal je een bevredigend gevoel geven en de zekerheid dat je erin geslaagd bent de nacht door te brengen onder zeer extreme omstandigheden en vervolgens je weg terug kunt vinden de volgende ochtend.
Na ongeveer twee maanden bedacht ik een uitdaging voor Bert. Ik stelde voor dat we een wandeling zouden maken van Candle Lake naar Montreal Lake, een route van ongeveer 50 mijl. Zijn ogen lichtten geïnteresseerd op en we bereidden ons met enthousiasme en vreugde voor op deze trip.
De oogst van een heel seizoen vellen, geprepareerd en gespannen, bood een indrukwekkende aanblik.
Onze benodigdheden voor onderweg waren eenvoudig. Als voedsel namen we plat brood mee, thee, koffie, jam, boter and een paar blikken varkensvlees en bonen. Ik wist dat we het gevoel zouden hebben te eten als koningen. We peddelden in onze kano naar het westpunt van Candle Lake. Die nacht kampeerden we aan de rand van het meer en praten lang tijdens de schemering, een goede vriendschap had zich tussen ons ontwikkeld gedurende de laatste weken. Ik schatte dat we Montreal Lake in een dag reizen zouden kunnen bereiken en ik wist dat dit een uitdaging zou zijn als we de volgende ochtend vertrokken. Al snel vonden we een spoor van uitgezette vallen dat we volgden, het leidde grotendeels naar het noorden. Ik wist dat deze sporen zeer behulpzaam konden zijn bij het trekken door onbekend gebied. Tegen 13.00 uur in de middag werd dit spoor duidelijker en het bleef naar het noorden leiden. De training van de afgelopen weken werd duidelijk, we liepen in een snel tempo en legden een flink stuk af. We stopten 2 maal om uit te rusten en te genieten van een versterkende lunch. We waren opgetogen dat we tegen de schemering arriveerden aan de rand van Lake Montreal en hadden het gevoel al iets bereikt te hebben. We waren echter nog steeds ver verwijderd van onze bestemming, het dorpje genaamd Montreal Lake, maar we waren er zeker van dat we ons doel in korte tijd zouden bereiken. Om dat te vieren, genoten we van de derde lunch van die dag, uitbundig door ons succes.
Onze zoektocht naar het dorp leidde ons naar het zuidwesten terwijl we de kustlijn gedurende 3 uur volgden. Het was al tamelijk donker en we waren doodmoe. Toen we gingen zitten om uit te rusten hoorden we het geblaf van een hond een eindje verderop. Dit was een welkom en mooi geluid, het betekende dat we dichtbij het dorp moesten zijn. We stopten weer toen we aan de rand van een, zo te zien, diepe rivier kwamen. Het oversteken van een onbekende rivier in het donker is erg roekeloos. We dachten dat er ergens een brug naar het dorp moest leiden maar zochten tevergeefs in het donker. Aan de rand van de rivier had iemand gehooid. We hadden geen slaapzakken bij ons maar maakten een bed van het warme, heerlijk geurende hooi en vielen zo diep in slaap dat we pas wakker werden toen de zon al hoog aan de hemel stond. Voor ons zagen we het dorp dat we in het donker gezocht hadden.
We maakten op ons gemak een ontbijt klaar, waar we opzettelijk lang van genoten. Ik geniet altijd extra van een ontbijt tijdens het kamperen, het lijkt wel of het beter smaakt en de koffie was zalig.
In het daglicht was het geen probleem om de brug te vinden. We volgden de weg naar het dorp, een klein handelscentrum voor de inheemse bevolking en de bij gelegenheid passerende blanke stroper of reiziger.
Ons eerste bezoek brachten we aan de boswachterpost maar de boswachter was afwezig en niemand kon ons zeggen wanneer hij werd terug verwacht. Vervolgens bezochten we de manager van de Revillon Frères handelsmaatschappij, die we eerder hadden ontmoet. Hij was blij ons te zien en nodigde ons uit een paar dagen te blijven. In die dagen waren vreemdelingen altijd welkom omdat zij nieuws meebrachten van andere steden en andere mensen. We bleven een dag en een nacht om uit te rusten omdat onze voeten pijnlijk waren van de lange wandeling.
Op onze terugweg naar het Candle Lake was het heerlijk om tussen de noordelijke dennenbossen te wandelen in de warme zon. De reis duurde een lange dag, met inbegrip van de 14 mijl lange kanovaart terug naar onze post.
Als je een doel bereikt dat moeilijk te vinden is overvalt je altijd een geweldige vreugde als je dat bereikt hebt. Tijdens het wandelen genoten we van de mooie geluiden van de natuur, zoals het blije gezang van de vogels bij zonsopgang and hun kalmerende tonen tijdens de rust van de avond. We inhaleerden de heerlijke geur van bladeren die lagen te vergaan om weer als mest te dienen voor een nieuwe groei.
Tijdens het gehele brandseizoen hadden we slechts een kleine brand in de buurt van Paddockwood en lukte ons om die brand in 1 dag te blussen. Dit in tegenstelling tot een normaal seizoen wanneer langdurig warm en droog weer het noorden van het land verandert in een vat buskruit en boswachters en brandweermannen 24 uur per dag werken in levensbedreigende situaties.
Voor het eerst gedurende de maand september hoorden we de lokroep van de eland. Hun hoornblazende tonen kwamen van dichtbij en veraf over de heuvels en moeraslanden die nu in volle herfstpracht stonden.
Ik was zo geïntrigeerd door het geluid dat ik een imitatie begon te oefenen door mijn stem te gebruiken en mijn handen rond mijn mond te houden. Er waren veel elanden in die periode dus ik kon het geluid uitgebreid oefenen. Na veel oefening riep ik op een rustige avond en kreeg meteen antwoord. Na donker luisterde ik naar de elanden die vanuit alle richtingen riepen en als het geluid stopte, riep ik en al snel antwoordden alle elanden.
Tijdens dat seizoen hoorde ik slechts 2 Amerikaanse elanden. Het seizoen was voor hun niet al te best en we zagen er maar weinig tekenen van.
Dit was mijn eerste herfst in het Noorden en ik ontdekte dat dit mijn favoriete seizoen was. De herfstkleuren waren erg levendig dat jaar, populieren en berken kleuren helder geel en het kreupelhout kleurde rood, goud, roodbruin en beige. Toen deze begonnen te verdwijnen dan spatte het draadachtige gebladerte van de tamarisk uit in levendig geel. Op dat moment heb ik mijn leven gewijd aan het Noorden.
Het brandseizoen eindigde op 5 oktober, evenals onze banen. De afspraak was waardevol voor mij geweest, want naast het salaris en de ervaring leek het een verlengde zomervakantie.
Bert en ik waren daarna een tijdje zonder werk maar vestigden ons in de Gull Lake blokhut om deel te nemen aan het zetten van valstrikken. Financieel hadden we niets te klagen maar Bert hield niet van het stropersbestaan omdat de dieren vaak erg leden onder de kwelling van de voetstrikken, het enige model dat in die tijd beschikbaar was.
Na Kerstmis werd Bert beroepsvisser aan het Candle Lake, samen met een man William Schrader genaamd. Dit beroep trok mij niet aan omdat het zwaar was tijdens de koude winter.
Ik ging door met stropen en net als Bert vond ik het zetten van vallen wreed, maar het voorzag in mijn levensonderhoud en gaf me een reden om in het Noorden te blijven, de plek waar ik wilde zijn.

Bron: Northern Rover, The life story of Olaf Hanson, by A.L. Karras with Olaf Hanson.