Waltherus van de Kragt

 

Geschiedenis van Kasteel Nieuw Herlaar

 

Ook St. Michielsgestel kent natuurlijk een oude bewonings geschiedenis.
Op Ruimel zijn bewijzen gevonden van romeinse aanwezigheid, dus de bewoning van de streek gaat al zeker terug tot het begin van onze jaartelling. Het gebied zag er toen heel anders uit dan nu. Stel je de Dommel voor als een sterk meanderende rivier die geregeld overstromingen gaf. Verder veel broekland en daartussen zandopduikingen en je krijgt een heel ander beeld dan bij de gekanaliseerde rivier nu, hoewel het gebied Haanwijk, zoals het officieel heet, ondanks de toegeslagen ruilverkaveling ook nu zeer fraai is. Het landschap is schijnbaar van een heel andere periode en oogt bijna achttiende eeuws, hetgeen natuurlijk ook komt door de bebouwing: Nieuw Herlaer, Haanwijck, ’t Vaantje en de oude boerderijen geven dat idee. NIEUW HERLAAR BEGINT BIJ OUD HERLAAR

Als we de romeinse tijd even vergeten, dan begint de geschiedenis van Nieuw Herlaar zo rond 1300. De belangrijkste plek in de buurt is dan Out-Herlaer: een versterkt kasteel op een zandopduiking en bestuurlijk centrum van de streek. Van daaruit werden een aantal bestuurlijke zaken geregeld voor de bisschop van Luik. Tot die bestuurlijke zaken behoorde bijvoorbeeld het rechtspreken (de jurisdictie). Omdat de leenheer niet van de wind kon leven werd zijn bestuurlijke bemoeienis als het ware erkend door de leenman die daarvoor aan de leenheer jaarlijks een vergoeding in de vorm van geld, graan, kapoenen of andere beestenrij betaald. Aan die erkenning lag een procedure ten grondslag die het leenverhef werd genoemd: de leenheer verstrekte het leen dat door de leenman werd geaccepteerd.
Kasteel Out Herlaer met de daarbij behorende grond, akkers en weiden enzovoort, was een dergelijk leen van de bisschop van Luik. Nieuw Herlaer was op haar beurt weer een leen van Out Herlaer en dus een onderleen van de Kromstaf van Luik.

GEBOUWD IN 1791

Het gebouw dat er nu staat is nog niet zo oud: het dateert uit het begin van het eind van de 18e, behalve het torentje dat ouder is en waarvan geschat wordt dat het uit de 15e eeuw dateert. Wanneer het eerste gebouw er neer is gezet, is niet bekend. We nemen aan dat het minder oud is dan Oud-Herlaer. Oud-Herlaer stond er in de 11e eeuw al en is mogelijk nog ouder. Waarschijnlijk stond Nieuw Herlaer er in de 14e eeuw, want het oudste leenregister waarin “Nyent Herlaer” is opgenomen dateert van 1418 en er is dan al sprake van erfopvolging. De heren van Herlaer zijn vanaf dat moment te volgen.

HEREN VAN NIEUW HERLAAR

De eerste Heer van Herlaer is Willem van der Aa. Tot 1470 bleef dit geslacht op het kasteel de scepter zwaaien. Dan volgt een onduidelijke periode, maar in 1532 is er weer sprake van een leenverheffing als het leen wordt opgedragen aan de familie Proening van Deventer. Eind 16e eeuw erven de twee dochters Anna en Maria Proening van Deventer het kasteel en besluiten het op te splitsen: ieder gaat de helft bewonen. Maria´s deel blijft door vererving in de (aangehuwde) familie. De familienamen die we daar tegenkomen zijn Pybes d´Adema en Endevoets. Anna´s deel gaat merendeels door koop over van het ene naar het andere geslacht. Daar komen we namen tegen als Millinck van Gerwen, Ruysch en Schmeling.
De echtenote van de laatste, schonk haar helft van het kasteel bij testament in 1789 aan haar zuster, Genoveva Maria, gravin van Welderen. Genoveva kocht kort daarna van de echtgenote van de laatste Endevoets het andere deel van het kasteel en verwierf daarmee het totale bezit. Zij liet het in 1791 op de toren na afbreken en een nieuw buitenhuis optrekken, waarvoor zij en haar echtgenoot zich flink in de schulden staken. Men zegt dat zij uiteindelijk in 1798 het kasteel hebben moeten verkopen. Het werd verkocht aan Thomas Cornelis van Rijckevorsel ten behoeve van het bisdom om er een seminarie in te vestigen. Daarmee kreeg het kasteel heel andere bewoners.

NIEUW HERLAAR ALS INSTITUUT

Het kasteel bleef daarna een instituutskarakter houden, want na het seminarie kreeg het kasteel een bestemming als instituut voor doofstommen (1840), als kloosterabdij voor franse zusters (1912) en voor weense zusters (1919) en vervolgens als observatiekliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie (1955). De observatiekliniek verhuisde in 1975 naar Vught en daarmee kwam het kasteel leeg te staan.
In 1978 werd het kasteel door bouwbedrijf Van der Linden aangekocht. Het gebouw is in de familie gebleven, maar is thans niet echt meer bewoonbaar. IETS OVER DE BOUWGESCHIEDENIS

De kaartjes hierboven geven de ontwikkeling van het kasteel aan. Het is rond 1300 gebouwd in een L-vorm met deels een dubbele gacht: een gegraven gracht en daarbuiten de Dommel. De kapel ligt buiten het kasteel zelf. In 1532 werd er een poortgebouw met twee torens bijgezet. Van welke periode de ommuring dateert, is onbekend. (kaart links)
Een dieptepunt in de geschiedenis van het kasteel is de periode van verwaarlozing in de zeventiende en achtiende eeuw, waardoor de westzijde aan het einde van die laatste eeuw moest worden afgebroken. De oostzijde bleef in principe behouden maar werd in 1791 op de toren na afgebroken en opnieuw opgebouwd. Toen het enkele jaren daarna in gebruik kwam als seminarie, is het verbouwd en aangepast. In de jaren dat het seminarie en instituut voor doven was, is het flink uitgebreid met allerlei bijgebouwen. Het middelste plaatje toont de uitbreidingen aan de noordzijde (oa hostiebakkerij) en aan de zuidzijde (west-klooster en oost-kapel) verder is er een boerderij en zijn er andere bijgebouwen. In die twintigste eeuw heeft het talloze interne verbouwingen gekend.

In de zeventiger jaren van deze eeuw is de sloophamer er weer aan te pas gekomen en zijn alle aanbouwsels verdwenen en verscheen het huidige hoofdgebouw. Op het rechtse plaatje is de oude Dommelloop verdwenen en is de rivier recht getrokken en verbreed. Ter orientatie zijn in de rechtse tekening de oude Dommelloop en enkele oude perceelsgrenzen aangegeven.

EEN OPENBARE VERKOOP

In 1789 ging de westzijde in de openbare verkoop. Weduwe Josephus Endevoets, Jacoba van der Linden, trok er met haar vijf kinderen uit. Zij bood het ten overstaan van de heeren Wethouderen der Grondheerlijkheid St Michiels Gestel in het openbaar en publick aan ten hoogsten en schoonsten voor alle man aan de meest biedende. In de Coops-Conditie die de secretaris der schepenen, J. Meurs, optekende, staan de inhoud van de koop en de condities beschreven, maar ook de gang van zaken bij zo´n openbare verkoop.

Op een zondag in augustus 1789 was de verkoop voor 19 aug. en 2 sept. met een plakkaat aan het gemeen- tehuis aangekondigd. Er lag een bod van 1530 gulden gedaan door Wouter van Eijndhoven uit Vught. Dat bod maakte geen kans, dat wist iedereen. Op 19 aug. had men zich in het gemeentehuis verzameld en werd er “afgemeijnt, afgehangen van de somme van drie duizend guldens. Koper werd Wouter vd Kragt uit Gestel, die daarop gehoogt ende geslagen heeft vier honderd slagen, tesamen 2300 guldens”. Wouter heeft daarop voor schepenen moeten verklaren dat, indien hij koper bleef, “de conditie en voorwaarden in alle deszelfs poincten en deelen stiptelijk te zullen voldoen en naarkomen onder verband als naar regten”. Wouter werd daarmee eigenaar, maar voor anderen bleef nog een kans want veertien dagen daarna, op 2 sept. werd nog een zitting gehouden. “Op deze gestelden en gestipeerden dag, tijde en plaatze van het uitgaan der Hoogzelfs dezer Verkoping”, werd een kaars ontstoken en was er gelegenheid tot overbieden. Er was echter niet meer belangstelling, al dan niet door Wouter afgekocht, “en de kaars alsdan behoorlijk uitgegaan zijnde, is Wouter vd Kragt als laatste slager aan de koop gebleven”. Om de koop te bevestigen heeft hij daarop van de verkoper den palmslag ontvangen. Daarop verklaarde hij opgetreden te zijn voor Jonkvr. Geneveva Maria Gravinne van Welderen, die zodoende als eigenaresse van de oostzijde nu ook de westzijde van het kasteel verwierf.Het adres van Nieuw Herlaer is Halder 2, Halder was tevens de plaats waar Waltherus van der Kragt met zijn gezin woonde, hij was vermoedelijk in dienst van Jonkvr. Geneveva Maria Gravinne van Welderen

Bron: Drs. R.A.Th. van Aart